Taal is overal

Door een blessure heb ik een tijdje veel aan alternatieve sport gedaan. Na een periode veel gefietst te hebben – met jammer genoeg ook veel materiaalpech – , ben ik de laatste maanden alweer een aantal keren in de fietsenwinkel geweest. Een hele leuke plek om te zijn. Zo leuk zelfs dat ik er een blog over geschreven heb.

 

Het is zaterdagochtend 10.00 uur. Ik ben te gast bij mijn vaste fietswinkel. Ik kom met mijn mooie carbonracefiets om een spaak te vervangen. Iets wat ik overigens met een beetje inspanning prima zelf kan. Dit zou mij hoogstens een kwartier kosten, waarna ik een vriend opzoek die het nog een keer voordoet. Na een half uur zweten is het klusje geklaard. Dan kan ik verder met mijn bezigheden. De rest van de zaterdagochtend kan ik bijvoorbeeld met mijn vriendin chagrijnig door de supermarkt lopen. Luisteren naar het gezeur over wat we de komende vijf dagen moeten eten. Of wie er op visite komt en wat voor koekjes dat bezoek zou willen hebben. Dat doe ik dus niet. Nee, mijn besluit staat vast. Ik ga naar mijn lievelingsplek waar ik de zaterdag prima kan besteden.

Ik draai met een grijns de parkeerplaats van mijn fietsenzaak op. Ik haal de fiets van de fietsendrager. Het eerste contactmoment is het leukst. Ik hoop dat ik de eigenaar tref. Meestal probeer ik er binnen vijf seconden een seksueel getinte, of in ieder geval een grove opmerking in te gooien. Dan is het ijs maar gebroken. De eigenaar deinst ook niet terug voor een dolletje. Ik kwam laatst met een vriend die wou beginnen met fietsen. Ik vroeg hem op wat voor bedrag mijn maat moest rekenen voor de aanschaf van een wielerfiets. “Verdaasdonk, ik ga tegen oe niet liegen, 8000 euro.” Mooi hè, klantenbinding.

Meestal duurt het een half uur tot een uur tot ik me realiseer waarvoor ik eigenlijk kom. Ik heb een spaak los, vertel ik de baliemedewerker. En dan komt de uitspraak waar ik eigenlijk op hoop: “ Loop maar even naar de werkplaats.” De werkplaats! Het begint al bij het bord ‘we gaan er vandaag weer voor de volle 50% tegen aan’. Dan weet je: hier word je niet weggekeken, er is tijd. Al snel word ik voorzien van koffie. Over de fiets wordt voorlopig met geen woord gerept. Dat hoeft ook niet. Er zijn belangrijker zaken. Vrouwen, koers, trainingsschema’s en het nieuwste materiaal. Kortom: ik kan helemaal mezelf zijn. Ik klaag over mijn relatie, mijn reet op dat pokkezadel, het weer, mijn werk en over het verkeer. Automobilisten bijvoorbeeld, er zijn erbij die weigeren om hun auto in de berm te parkeren als ik er met de fiets langs wil. Alsof het verkeer schijt heeft aan mijn gemiddelde snelheid. Ik word volledig herkend in mijn betoog. Daarnaast vertel ik sterke verhalen over mijn buitengewone sportprestaties. Ik ben in mijn nopjes en dat straal ik ook uit.

Inmiddels is het 13.00 uur ’s middags. Er staat een rijtje klanten bij de balie te wachten. Nou ja wachten, ze maken – net als ik – geen haast. Waarom zou je ook in dit walhalla voor de fietsliefhebber? “Heb je nog even?” vraagt iemand in de werkplaats me. Wat een vraag zeg! Natuurlijk heb ik nog even. Ik dartel vrolijk tussen de carbon veldrijfietsen die net binnen zijn gekomen. Ik huppel naar een rek met wielerjasje voorzien van Italiaanse vlag. Ik vraag me af of de prijs op het jasje niet toevallig het telefoonnummer van de dealer is. Dit is niet het geval. “Tweehonderd euro voor een jasje is trouwens niks”, zegt een medewerker. “Dat heb je pas door als je ermee fietst. Met dit jasje lijkt zelfs de dikste wielertoerist op een gesoigneerde Italiaanse prof.” Oké, ik ben om en koop een jackie. Ik zie mezelf al fietsen als een echte Italiaan. Wat zullen ze opkijken als ik langskom. Wie ‘ze’ zijn, laat ik in het midden. Ik heb eigenlijk geen idee.

Om 14.00 uur wordt mijn fiets geanalyseerd. Nou ja, iemand trapt tegen de voorband en vraagt: “Rij je nog steeds op dat ding?” Ai… nu wordt het moeilijk. Hier had ik op gerekend. Dit heb ik voorbereid! Ja dat klopt, zeg ik, hij bevalt nog prima. Ik rij gewoon 32 gemiddeld op een tocht van 100 kilometer. Ik haal trots het tellertje uit mijn zak. Ik kom namelijk graag goed beslagen ten ijs. De medewerker lijkt echter niet onder de indruk. “Als je nu elektronisch kon schakelen verloor je veel minder tijd. En wat denk je van schijfremmen? Je remt serieus nog met blokken? Je kunt een roman uitlezen voordat je stilstaat… Nee joh, schijven zijn de enige optie.” “Vooruit, maar kunnen die dan op mijn huidige fiets?” vraag ik hoopvol. “Helaas, die passen niet op je frame. Bovendien wil je ook elektronisch schakelen, dat kan niet anders. En als ik dat op je fiets moet zetten is dat zo duur, daar kun je een nieuwe voor kopen. En dat tellertje ga je dan natuurlijk niet overzetten. Je kunt je wattages niet eens zien. Iedereen traint op wattage! Oi oi oi, dat jij nog vooruitkomt is me een raadsel.”

Ik besluit na te denken. Vanaf dat moment kan ik niet meer terug. Ik vraag wat ik nog voor mijn oude fiets terugkrijg. Het antwoord had ik al verwacht: niet veel, er is een spaak uit. Logisch. Ik moet ook opschieten het is inmiddels 16.30 uur. Het personeel heeft bijna weekend. Ik moet een keuze maken. Met mijn rug tegen de muur besluit ik voor een nieuwe fiets te kiezen. Dat scheelt een reparatie, bovendien word ik dan weer serieus genomen in het peloton. Ik reken 3475 euro af. Op het moment dat ik weg wil lopen, schuift een medewerker me een petje toe. “Neem maar mee”, voegt hij hier aan toe. Ik ga met een grote glimlach weg. Wat een zaterdag! “Tot volgende week”, mompel ik in mezelf als ik de zaak uitloop.