Marathon

Lieve mama,

Ken je dat? Dat je denkt dat je ergens heel goed in bent.
Ik had dat met hardlopen.
Ik ging er echt in geloven.
“Wat nou als ik 12 keer per week ga trainen?
Zou ik nog harder kunnen gaan?”, vroeg ik mezelf af.
Zou ik de Nederlandse (sub)subtop kunnen bestormen.

Het lukte niet.
Blessures afgewisseld met mooie tijden.
2 uur 34 op de marathon en 32’ers op de 10 km.
Maar ook een voet gebroken, op de traumakamer gelegen,
Zo vermagerd dat ik mezelf niet warm kon houden.
En continu achillespeesklachten.

Als bijna anderhalf jaar loop ik geen wedstrijden meer.
Ik mis het geeneens.
Tuurlijk, ik zou graag weer een prestatie neerzetten.
Maar het lukt gewoon niet meer.
Mijn hartslag vliegt omhoog bij een loopinspanning.
En mijn achillespezen zeggen bij meer dan 2 looptraining per week: ho!
Ik strompel door het leven, dat valt steeds meer mensen op.

En het werd al minder leuk, toen jij er niet meer bij was.
Want jij was de hoofdreden dat ik liep.
Ik weet nog dat je voor het laatst meekon.
Of eigenlijk: niet kon.
Rillend van de kou stond je langs de lijn.
Hoe kon ik anders dan mezelf steenkapot lopen?

Ik moet het nu definitief accepteren dat ik niet meer op niveau kom.
Jammer, maar helaas.
En laten we eerlijk zijn: er gaat heus geen toploper verloren.
Al is vier keer het Sallands Crosscircuit winnen voor mij mooier dan de Olympische Spelen.
Winnen in Broekland of Lemelerveld is toch veel mooier dan in Peking of Tokio?
Dat weet iedereen.

Ik ga nu lekker genieten van andere sporten.
Fietsen bijvoorbeeld. Met vrienden. Nu al een paar zaterdagen op rij.
En krachttraining, lekker pompen en afzien.
En gelukkig staat mijn zolder vol met toestellen.
Een Crosstrainer, spinnigbike en meerdere fietstrainers.
Zelfs eentje waarmee je bergop kan fietsen met een film van de berg.
Live film en kapotgaan in één
Kortom: ik vermaak me wel.

En twee keer in de week lopen lukt prima.
Ik ga daarmee een marathon onder de drie uur lopen.
Dat is realistisch, en dat doet me denken aan de tijd dat je er nog was.
Want voor jou was dat, alsof ik goud won.
Ik zie je nog zo voor me in het PEC-stadion, tijdens de marathon van Zwolle.
Of op het marktplein in Enschede toen het noodweer was.
Je was altijd enthousiast.
Trots als een pauw, en ik op jou.